Bier en gruitrecht

In de middeleeuwen werd bier aanvankelijk met gruit op smaak gebracht. Gruit was een kruidenmengsel dat voor het grootste deel bestond uit de gedroogde bladeren van de Wilde gagel (Myrica gale). Dat is een kleine heester, die groeide en nog steeds groeit op niet in cultuur gebrachte, moerassige gronden. In het middeleeuwse Holland waren die onontgonnen gebieden het eigendom van de graaf. De levering van de gruit was een monopolie van de graaf, waar de brouwers voor moesten betalen. Anders gezegd: de graaf bezat het gruitrecht.

Gagelstruik, Myrica Gale
Een gagelstruik

De Hollandse graaf kon het gruitrecht in eigen beheer exploiteren of het voor korte of lange termijnen verpachten. Net als zijn andere rechten kon hij het gruitrecht ook verkopen of in leen geven, waardoor het in handen kwam van particulieren of, bijvoorbeeld, een stad.

In Leiden bezat de graaf in de late middeleeuwen nog de helft van het gruitrecht. De andere helft hield de Leidse burg­graaf in leen. Toen de stad Leiden in de zeventiende eeuw de Burcht met alles wat daar bij hoorde van de laatste burggraaf kocht, kwam deze ‘burggrafelijke’ helft van het gruitrecht in handen van de stad zelf.

De introductie van hop
In de late middel­eeuwen nam hop (Humulus lupulus) de plaats van gruit in het brouwproces over. De brouwer gebruikte de hopbellen, de gedroogde bloemen van de vrouwelijke hopplant.

Hopplant
Hopplant. De vrouwelijke hopbellen bevatten de smaakstoffen.

De techniek van het brouwen met hop bereikte in het begin van de veertiende eeuw vanuit Noord­-Duitsland onze streken. Al snel werd in de noordelijke Nederlanden hop geteeld, de eerste vermeldingen dateren van omstreeks 1325. Later nam de Hollandse hopteelt een hoge vlucht. Ook in de onmiddellijke omgeving van Leiden, in Oegstgeest en Rijnsburg, werd hop verbouwd. De toepassing van hop maakte bier niet alleen lekkerder maar ook langer houdbaar. Hop maakte vervoer van bier over langere afstanden mogelijk.

Gruiters
Levering van de gruitstof en betaling van het gruitrecht waren aanvanke­lijk nauw met elkaar verbonden. Brouwers kochten hun gruit bij gruiters, die in Holland op een aantal plaatsen waren gevestigd, waaronder in Leiden. In 1346 gaf de graaf aan de baljuw van Rijnland en Woerden bevel op te treden tegen brouwers die hun gruit bij de Leidse gruiters moesten halen, maar het elders betrokken. De baljuw moest voor elke overtreding een boete opleggen, waarvan de helft naar de graaf zou gaan en de andere helft naar de benadeelde gruiter.

Door het kopen van gruit, was meteen het gruitrecht betaald. Later kochten brouwers gruitstof en hop op de vrije markt, en betaalden zij het gruitrecht apart. Het gruitrecht werd toen geheven op basis van de omvang van de bierproductie en ging daardoor steeds meer lijken op een belasting op het brouwen van bier.


In de eerste helft van de veertiende eeuw ontstonden in Hol­land conflicten over het gruitrecht. De problemen werd veroorzaakt door de invoer van buitenlands hopbier en de opkomst van het brouwen met hop in Holland zelf. Hopbier bevatte geen gruit, en viel dus buiten het gruitrecht. De graaf zag daardoor de inkomsten uit het gruitrecht teruglopen. Aanvankelijk probeerden de graven dat tegen te gaan door de invoer en het brouwen van hopbier te verbieden, maar dat was geen haalbare kaart. Later pakte de graaf het handiger aan door te bepalen dat ook hop onder het gruitrecht viel. Nadat het gebruik van gruit in onbruik was geraakt, viel enkel nog hop onder dit recht. Dat leidde er toe dat, bijvoorbeeld in 1460, het gruitrecht in Leiden ook wel hoppesijs (hopaccijns) werd genoemd. Die term laat goed zien dat het gruitrecht inmiddels als een belasting werd gezien.

Deel of print deze informatie: